Aankomst in Afrika
1 Augustus 2009: Samen met de andere Nederlandse vrijwilligster arriveer ik al vroeg op het vliegveld van Brussel, waar we de Belgische bouworde delegatie ontmoeten. Naast een ‘technisch’ team gaat er ook een ‘sociaal-ecologisch’ team mee, in totaal zijn we met zijn 16-en . Amai, dat ziet er een zotte bende uit (sorry, wat 4 weken met een stel Vlamingen al niet met je doet..)! Na een lange reis komen we laat op de avond aan in Dakar. De kennismaking met deze stad is heet en hectisch. Een eerste indruk van wat armoede doet met dit land krijgen we ook, als we ons met de bagage een weg proberen te banen tussen de ‘touts’ die alle moeite doen om ons deze afhandig te maken en zo wat geld op te strijken. Gelukkig kunnen we even later met de IBO-bus Dakar ontvluchten en zetten koers naar Sowane, waar het technische team zal verblijven. Na een eerste zweterige nacht zien we pas waar we nu terecht zijn gekomen: een klein Senegalees plattelands dorpje. Onze verblijfplaats is boven verwachting luxe: nette hutten/kamers met 2-persoonsbedden incl. klamboe en ventilator, 2 douches en toiletten. En… er is (meestal) elektriciteit en stromend water. Er blijkt bij de buren zelfs een koelkast te zijn waaruit we tegen een kleine vergoeding koele (weliswaar naar de naastgelegen rotte vis riekende) flesjes coca cola en Senegalees bier kunnen halen.

Sowane
De eerste dag voert Masse M’Baye, de projectverantwoordelijke, ons langs huidige en eerdere IBO-projecten in en om Sowane. Dit dorp was vroeger een leprakolonie; de sporen daarvan zien we nog bij sommige van de ouderen die we er tegenkomen. Tegenwoordig kan deze ziekte echter uitstekend worden behandeld en gaat het ook op andere fronten steeds beter met de inwoners van het dorp. Zo gaan alle kinderen er naar school, waar in de rest van Senegal het percentage kinderen dat ‘tenminste een aantal jaar’ naar de basisschool gaat slechts rond de 60% ligt en het aantal dat de middelbare school volgt rond de 20% (uit statistieken Unicef). De dorpskinderen lijken overigens erg blij met onze komst, elke keer als we ‘thuis’ zijn worden we door hen aangeklampt & als klimtoestel gebruikt. Aan het eind van de eerste dag nemen we afscheid van “l’équipe sociale”; zij zullen in de provinciehoofdstad Kaolack hun project uitvoeren: ’s ochtends bomen planten en ’s middags leerlingen van een lokale school animeren. Zij logeren gedurende de werkweek bij Masse thuis. De weekenden brengen we steeds gezamenlijk door, erg leuk om dan ervaringen uit te kunnen wisselen!
Op de werf
Voor ons, “ l’equipe techique” dus, is de opdracht het bouwen van een foyer: Middelbare scholieren uit Sowane moeten 2 keer per dag 10 km lopen om op hun school in de naburige stad Fatick te komen. Door dit tijdsverlies missen ze lessen en lopen zo een schoolachterstand op (geloof me, wij hebben het ook een keer geprobeerd en het is echt niet makkelijk om je na ruim een uur stofhappen in de brandende zon direct te concentreren op je (huis)werk). De foyer moet de jongeren daarom straks in staat stellen gedurende de week in de buurt van hun school ‘op kot’ te gaan.
Hoe zag een gemiddelde werkdag er nu uit? Na een ontbijt van stokbrood en jam vertrokken we meestal tegen 8.15u richting de werf, waar we ons tot het middaguur in het zweet werkten (lees: rond 13 uur vielen wij ‘toubabs’ (blanken) oververhit neer onder de enige boom in de wijde omtrek die nog enige schaduw bood). Onze kokkin bracht dan de warme lunch (meestal rijst of couscous met vis of stukjes rundvlees in een saus en wat groentes zoals wortel, aubergine en ui, ui, en nog eens ui.. heb ik al gezegd dat we veel ui aten?!). We aten altijd met zijn allen uit één schaal. Na de lunch was het tijd voor siësta, zo het welig tierende vogelbestand van onze lunchboom dat toestond (Senegal is niet bekend om zijn bijzondere wildlife, maar dient wel als overwinteringsplaats voor een groot aantal vogels en dat hebben we gemerkt..). Vervolgens werkten we meestal nog één of twee uurtjes in een rustig tempo door tot 16 uur, onderwijl liters water naar binnen werkend. Tenslotte was het nog even de werf opruimen en terug thuis wachtte dan een koude cola en douche…
De samenwerking met de lokale bouwvakkers verliep prima; de meesten woonden of logeerden vlakbij ons en kwamen dan ’s avonds gezellig kletsen of een spelletje uno, ‘faire kaka’ (bullshit) of jungle speed doen. Een aantal van de vrouwelijke vrijwilligers viel dermate in de smaak dat hen op niet al te subtiele wijze de liefde werd verklaard (en het was nog een hele klus om duidelijk te maken waarom we níet vrouw 2, 3 of 4 op rij wilden worden en dat het leven in België cq NL vooral ook hard werken en stressen is…). De cultuurverschillen tussen Senegal en onze thuislanden (bijvoorbeeld in man-vrouw verhoudingen) stonden dan ook regelmatig ter discussie. Ook leuk was het contact met de kinderen op de werf; we hebben tussen de bedrijven door menig klapspelletje gespeeld. Grappig was ook dat telkens wanneer een vrachtwagen met stenen arriveerde het halve dorp uitliep om te helpen sjouwen.

Resultaat van drie weken werken: We hebben het slaapgebouw dat de juli-groep had neergezet verder afgemaakt en vervolgens een tweede slaapgebouw, de keuken en een douche/toiletgebouwtje vanaf de fundamenten opgebouwd. Dit betekende héél veel zand scheppen, cement en beton maken, stenen sjouwen, nog meer stenen sjouwen, bekisting en betonbewapening maken, metselen en voegen. Maar toen stond er ook echt wat.. (en waren wij veranderd in een stel gespierde bouwvakkers, ahem). De bedoeling is dat de september groep van Bouworde Vlaanderen een en ander afwerkt. Masse had er in ieder geval het volste vertrouwen in dat de scholieren er in oktober (na de zomervakantie) terecht kunnen.
De weekenden & laatste week
Het eerste weekend gaat naar de Sine Saloum delta. Een helse rit (stel je bij de infrastructuur van Senegal niet teveel voor; er is één goede weg vanaf Dakar tot de grote steden, voor de rest is het een kwestie van slalommen om de gaten in het al dan niet aanwezige asfalt). We slapen in een mooi hotel en kunnen zowaar in het zwembad springen waar we al de hele week naar hebben verlangd. Zaterdags nemen we de piroque (een vrolijk gekleurd bootje) mét enthousiaste djembe-spelers voor het on board entertainment (weg vogeltjes..) langs de mangroves, meren aan bij een eilandje en zwemmen in de rivier. In de avond is er in het hotel traditionele Afrikaanse dans en muziek. Het tweede weekend gaan we naar het meest toeristische deel van het land, Petite Côte. Dit is een gebied aan de kust met mooie palmstranden. We beginnen de zaterdag echter met een lezing: Masse vertelt ons uitgebreid over de (lepra)geschiedenis van Sowane en probeert deze in de bredere context van Senegal (en de toekomst) te plaatsen. Hij is duidelijke een erg bevlogen man, die graag wil dat zijn landgenoten het beter gaan hebben -en vooral dóen, want hiertoe is dringend een verandering van mentaliteit nodig die aanstuurt op minder afhankelijkheid van het westen en meer vertrouwen in het eigen kunnen. Na deze leerrijke ochtend bezoeken we het schelpeneiland Fadiouth, lunchen dan bij een fruitboer een pittig visje en rijden vervolgens naar de stad Mbour.
Hier vereren we de artisanale markt met een bezoekje (en bezorgen de lokale winkeliers een erg goede dag…). Ook is er daar een vrolijke Belgische ondernemer, die zich ten doel gesteld heeft om de bijzondere Senegalese vruchtensappen (bissap, baobabsap, tamarindesap etc) tot likeuren te verwerken en deze aan zijn voormalige landgenoten te laten proeven (en het werd nog erg gezellig..). De zondag brengen we dan door met het kopen van meer souvenirs in Saly en op het strand van Toubab Dialow. Het derde weekend besluiten we door te werken, zodat we meer tijd hebben om in de laatste week het noorden van Senegal te verkennen. We gaan nog wel even langs de markt van Fatick. Je merkt dat hier niet vaak toeristen komen: we kunnen er rustig rondlopen, de sfeer opsnuiven zonder aangeklampt te worden en hoeven zelfs niet af te dingen. Op de laatste zondagavond komt “l’équipe sociale’ naar Sowane voor een afscheidsfeestje en werken we nog een uitgebreide maaltijd van schaap (voor de liefhebbers), frietjes en cake naar binnen. Maandag is dan alweer de laatste werkdag en aangezien ook de ramadan net is begonnen (dat wil zeggen geen eten en vooral geen water voor de Senegalese metselaars) en het erg warm is doen we niet zoveel meer. Dinsdagochtend: het is nu echt tijd om afscheid te nemen van de Senegalese bouwers, onze kokkin en de kindjes van Sowane.
Na een laatste groepsfoto halen we de anderen op in een nogal modderig Kaolack om vervolgens de lange reis naar Touba aan te vangen. Touba is de belangrijkste moslimstad van Senegal, een soort ministaatje à la Vaticaanstad. Er gelden hier strenge kledingvoorschriften en de meiden worden dan ook bij aankomst direct door een gids naar een steegje geloodst en in allerhande doeken gewikkeld (heel fijn bij 40°C)! Zo kuis gekleed mogen we dan wel de indrukwekkende moskee in, waar ook veel talibés de koelte zoeken. Talibés zijn kinderen die ‘les’ volgen van een marabout (islamitisch religieus leraar). Om te betalen voor dit onderricht -dat vaak uit niet meer bestaat dan het fonetisch van buiten leren van koranverzen in klassiek Arabisch- wordt van de kinderen verwacht dat ze de straat op gaan om steun te vragen aan de bevolking. In de praktijk komt het erop neer dat deze kinderen nauwelijks een opvoeding krijgen, op straat leven en bedelen. Hoe je als vrijwilliger met dit soort traditionele praktijken moet omgaan is de vraag. Het verontrust me in ieder geval als ik na 4 weken tot de conclusie moet komen dat ik de talibés eigenlijk nauwelijks meer ‘zie’, dat ze opgaan in het straatbeeld, het normaal is geworden om het uitgestoken bedelbakje te negeren..

Na de rondleiding in de moskee rijden we nog een heel eind verder richting kust. Tenslotte worden we bij het plaatsje Lompoul uit de jeep cq bus geveegd, om met zijn allen over te stappen op een grote 4WD truck die ons de woestijn in zal brengen… Aangezien het inmiddels donker is zien we weinig van het landschap, wat de rit naar de kampeerplaats tussen de duinen extra avontuurlijk maakt. Onder de mooie sterrenhemel is het even later goed geit eten. We besluiten met zijn allen buiten te slapen, wat kan omdat er hier geen (malaria) muggen zijn en het weer prima is. De zonsopkomst de volgende dag is spectaculair, maar helaas niet voor iedereen op een haalbaar tijdstip.. Na een ontbijt en duinwandeling vertrekken we richting St. Louis; we maken een rondrit met de paardenkar door deze oude hoofdstad van Senegal. Hier zijn nog veel koloniale gebouwen bewaard gebleven; het stadje ademt een sfeer van vergane glorie. Ook de grote vismarkt maakt op velerlei manieren indruk op (lees verlamt..) onze zintuigen. We logeren weer in een mooi hotel met zwembad, dat zich ook nog eens vlak aan zee bevindt. Op donderdag varen we met een bootje naar een natuurpark vlakbij St Louis, Langue de Barbarie. Hier leven heel veel vogels (helaas vooral in november/december..).
In het park eten we een luxe lunch van zeevruchten en gaan nog even zwemmen. ’s Avonds is het tijd voor een privéfeestje in ons hotel.
Vrijdagochtend is er dan weer een lange rit, eerst naar de stad Thiès voor een lunch en dan door naar Lac Rose, het roze meer, vlakbij Dakar. Dit meer is heel zout en je blijft er net zoals in de dode zee in/op drijven, erg apart (ook goed om alle muggenbeten, blaren etc in te ontsmetten..auw!). Op deze laatste avond worden de serieuze discussies afgewisseld door cocktails en- hoe toepasselijk- tropische stortbuien..
Na een laatste gezamenlijk ontbijt rijden we naar Dakar, waar we inschepen op de chaloupe naar Île de Gorée (de Nederlanders veroverden dit eiland ooit en noemden het ‘Goede Rede’ in de betekenis van ‘goede haven’). Het eiland staat ook wel bekend als het slaveneiland en hoewel niet duidelijk is in hoeverre daadwerkelijk vanaf deze plek grootscheepse slaventransporten plaatsvonden heeft het als zodanig een symbolische betekenis gekregen. Île de Gorée doet erg Europees aan: de gebouwen zijn koloniaal, kleurrijk en in vergelijking met de rest van Senegal is alles bijzonder ordelijk en goed onderhouden. Hier geven we nog onze laatste CFA’s (lokale munt) uit, voornamelijk aan een overschot oorbellen.
Terug aan wal is het tijd voor een ‘race-around-dakar-in-twee-uur poging’; Masse leidt ons in een recordtempo langs een aantal markten en belangrijke gebouwen naar het huis van Doudou (onze chauffeur uit Sowane/Kaolack die zelf in Dakar woont) waar we ons nog wat kunnen opfrissen voor de terugreis.
Om acht uur ’s avonds vertrekken we dan naar Dakar-Yoff vliegveld, waar we afscheid nemen van Masse en Doudou. Gelukkig, na een heleboel controles komt men toch tot de conclusie dat wij de juiste documenten hebben om het land te verlaten en horen wij voor het laatst ‘toubab’! Na zo’n 4 uur vliegen landen we op Madrid, waar helaas nog geen vliegtuig op ons wacht. Daarom ons maar op de comfortabele vloer van de gate geïnstalleerd (met gepikte Iberia-kussentjes en dekens) om zodoende nog wat nachtrust te krijgen. De vlucht Madrid-Brussel verloopt vervolgens prima en voor we het weten staan we al bij de bagageband, mét al onze spullen incl. nieuwe djembés: “Echt, heeft iedereen alles al? Moeten we niet nog even wachten??” Alles om het afscheid nog maar een paar minuten uit te stellen… Als de terugkomdag-beloftes dan definitief bestendigt zijn en iedereen vaarwel geknuffeld en gezoend door de deuren van het vliegveld richting ontvangstcomité loopt (voor de Belgen) wacht ons Nederlanders nog een korte treinrit… Helaas denken de Belgische spoorwegen daar anders over en is er vanwege een kapotte bovenleiding maar liefst 5,5 uur voor nodig om van Brussel naar Roosendaal te geraken, maar ach.. met de opgedane Afrika ‘alles-komt-wel-goed-who-cares-about-what-time-it-is’ -mentaliteit hebben wij ergens een voordeel ten opzichte van de overige (klagende) reizigers en komen uiteindelijk toch nog helemaal zen thuis aan… Het was een mooie tijd!
Een paar aanwijzingen voor toekomstige Senegalgangers..
- Duik nog eens die middelbareschoolboeken Frans in! Senegal is een vroegere kolonie van Frankrijk en het Frans is de officiële voertaal. Voor de dagelijkse gang van zaken is het niet perse noodzakelijk om Frans te spreken: met handen en voeten en wat tweetalige groepsgenoten kom je ook een heel eind.. daarnaast beschikten onze Senegalese collega’s -met dank aan eerdere vrijwilligers- ook over een hilarisch vocabulaire bouw-Vlaams (“Waterrrrpasssss alsjeblieft!”). Om een diepergaand contact aan te gaan en meer begrip van de cultuur te krijgen is het echter fijn als je de taal wél spreekt. Senegalezen houden erg van discussie (over monogamie vs polygamie bijvoorbeeld) en wil je hier aan meedoen dan is het noodzakelijk dat je het Frans op een redelijk niveau beheerst (Engels hoor je alleen sporadisch in Dakar of St Louis). Het leren van een paar woordjes Wolof of Serer (de lokale talen) wordt overigens ook erg gewaardeerd.
- Houd er rekening mee dat het in onze zomermaanden regentijd is in Senegal. Niet dat er nu zoveel regen valt (een paar keer een enorme hoosbui en nachtelijke ‘twister’ daargelaten) , maar het is wel erg warm en door de hoge luchtvochtigheid soms ronduit drukkend. Dit is zeker s’ nachts niet altijd een pretje; het vereist letterlijk een paar dagen acclimatiseren.
- Verwacht geen leeuwen, olifanten of andere grote wilde beesten; daarvoor moet je toch echt in oost- of zuidelijk Afrika zijn. Senegal heeft ook zeker wel mooie natuur, maar je gaat er toch voornamelijk heen voor de bijzondere cultuur.
- In vergelijking met andere IBO-projecten zijn de weekenden wat minder ‘vrij’. Je bent gebonden aan het vervoer (de bouworde bus en -jeep) en derhalve de groepconsensus over te ondernemen activiteiten. Er was ook nagenoeg altijd iemand van bouworde Senegal (Masse of een chauffeur) bij ons, we werden goed in het oog gehouden. Een en ander is zowel positief (het is vrij lastig om in je eentje door Senegal te reizen, want het openbaar vervoer is niet al te best en bovendien wordt je als toubab {en vrouw..} constant aangesproken op straat) als negatief (je krijgt al snel een schoolreisjes-gevoel). Vaak was ook vooraf niet geheel duidelijk wat we nou precies gingen doen, maar (ik quote Masse)“ c’est l’Afrique”… en je laten verrassen is dan het beste advies.. Masse staat overigens zeker wel open voor suggesties als je als groep een (ander) idee hebt voor het weekend, maar laat dit wel op tijd weten
- Dit project is een echte inleefervaring; ook buiten het werk heb je veel te maken met de plaatselijke bevolking en wordt je overal bij betrokken. Zo werden wij o.a. meegetroond naar het dorpsfeest, de voetbaltraining en de plaatselijke marabout/amulet-maker. Ook hebben we een aantal keer geholpen met koken. Verder waren er dagelijks een heleboel kindjes die op de stoep stonden om met ons te spelen. Het is mogelijk om op deze manier ook een sociale component in het kamp te brengen, bijvoorbeeld door eens in de namiddag activiteiten te organiseren voor de kinderen in het dorpsschooltje (hier krijg je in overleg vrij voor).
- Wat betreft eten: wij kregen tweemaal daags een goede warme maaltijd voorgeschoteld. ‘S middags was dit meestal rijst met vis (het nationale gerecht tiéboudienne), kip, rundvlees, geit of schaap in een saus met wat groenten (wortel, aubergine, pompoen, zoete aardappel en vooral veel ui geïmporteerd uit, jawel, Nederland..) en ’s avonds pasta, bonen met pindasaus, erwtjesschotel, omelet, fruitsla of frietjes met kip en uiensaus. Vooral veel koolhydraten dus. We bestelden daarnaast af en toe fruit dat dan door de kokkin werd meegenomen van de markt in Fatick (vooral de mango’s zijn erg lekker). In Sowane zijn trouwens geen winkels.
- Ondanks dat de Senegalese keuken dus zeker niet slecht is….neem diarreeremmers, ORS en antibiotica mee én eventueel vitaminepillen: de temperatuur en het vreemde eten (m.n. in het weekend) zorgen af en toe voor lichamelijke ongemakken & je kunt dan maar beter voorbereid zijn… Drink in ieder geval alleen flessenwater. Voorzichtigheid m.b.t. fruit en rauwe groentes (“cook it, peel it, boil it or forget it”) en een goede hygiëne (o.a. gebruik van desinfecterende handgel) zijn onontbeerlijk. Pilletjes tegen reisziekte kunnen trouwens ook handig zijn, aangezien de wegen soms meer op gatenkaas lijken.. Vergeet qua apotheek verder de malariapillen, anti-insectenmiddelen met deet, ontsmettingsmiddel en zonnebrand-met-hoge-factor niet en laat je vaccineren (in ieder geval hepatitis a, DTP, gele koorts, mantoux-test, evt. hepatitis b en buiktyfus).
- Er zijn weinig westerse voorzieningen in Sowane, er is bijvoorbeeld geen internet. Het mobiel bereik is wel goed (en iedere Senegalees lijkt een telefoon te hebben incl komische ringtone; denk Celine Dion bij een boom van een bouwvakker…). Wil je goedkoper bellen naar het thuisfront of binnen Senegal zelf dan kun je ter plaatse gemakkelijk een simkaart kopen. De groep in Kaolack was overigens wel in de gelegenheid om door de week naar de winkel/markt/bank/het internetcafé te gaan.
- Om een indicatie te geven van de kosten: Ik was buiten de projectbijdrage nog zo’n 300 euro kwijt (incl djembé van 50 euro). Het grootste deel hiervan vormden de vervoers- en verblijfkosten in het weekend (we hebben in totaal 8 nachten in een hotel geslapen), eten en drinken. Daarnaast waren er kosten voor bijvoorbeeld boothuur, een dansvoorstelling, gids op schelpeneiland en in natuurpark , etc etc.
Team Senegal augustus 2009
Janez, Els, Katrien, Eef, Eva, Cecile, Tine, Charlotte, Fabian, Saskia, Miet, Kate, Liesbeth, Aline en Marjolijn.